Is de prijs wel zakelijk?

De rechter heeft onlangs een uitspraak gedaan over de vraag tegen welke waarde een directeur-grootaandeelhouder een pand van zijn B.V. kon kopen. In de praktijk blijkt dit nogal eens tot discussies met de Belastingdienst te leiden.

Belanghebbende is enig aandeelhouder van Beheer B.V. In maart 1998 heeft de aandeelhouder een pand van Beheer B.V. gekocht tegen dezelfde prijs als waarvoor de B.V. het pand op dezelfde dag van een onafhankelijke derde heeft gekocht. De koopprijs bedroeg € 1.135.000,-.
Zo’n 2.5 jaar later heeft de Belastingdienst het pand naar de waarde van 2.5 jaar daarvoor (maart 1998) getaxeerd op € 1.500.000,-. Uiteindelijk heeft de aandeelhouder in december 2001 het pand aan een derde verkocht voor € 2.650.000,-.

Standpunt inspecteur

De inspecteur heeft een aanslag opgelegd voor € 365.000,-, zijnde het verschil tussen € 1.500.000,- en € 1.135.000,-. De inspecteur stelt dat er sprake is van een dividenduitkering van € 365.000,- van Beheer B.V. aan de aandeelhouder. Volgens de inspecteur heeft Beheer B.V. het pand bewust tegen een te lage prijs verkocht. Beheer B.V. heeft de aandeelhouder een voordeel van € 365.000,- doen toekomen, terwijl dit voordeel door Beheer B.V. zelf had kunnen worden behaald.

Standpunt rechter

De rechter is het niet eens met de stelling van de inspecteur dat het voordeel van € 365.000,- dat door de aandeelhouder is behaald, ook door Beheer B.V. had kunnen worden verkregen. Het staat de aandeelhouder en de B.V. in principe vrij te bepalen in welke sfeer (privé of in het B.V.) zij een ‘van buiten komend’ voordeel behalen.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de prijs gelijk is aan de waarde in het economisch verkeer van het pand. Voor de rechter is het duidelijk.
Beheer B.V. heeft het pand voor dezelfde prijs aan de aandeelhouder verkocht als waarvoor zij het kort tevoren zelf van een onafhankelijke derde heeft gekocht.
De rechter beslist dat het niet van belang is dat de taxateur van de Belastingdienst, 2.5 jaar na dato het betreffende pand op een hoger bedrag taxeert.
Evenmin is het van belang dat de aandeelhouder het pand in december 2001 met winst heeft verkocht aan een derde.

Commentaar

Goed nieuws voor deze directeur-grootaandeelhouder! De rechter wilde niets weten van de stelling van de inspecteur dat de B.V. de aandeelhouder bewust heeft willen bevoordelen. Het komt er in de praktijk op neer dat de B.V. en de directeur-grootaandeelhouder zelf mogen bepalen wie een van buiten komend voordeel mag behalen.
Let op. Uiteraard geldt dit alleen als het om een zakelijke transactie gaat en dat was hier het geval. Het pand werd namelijk van een derde gekocht. Daarna ging het alleen nog om de vraag wat de waarde in het economisch verkeer van het pand was. De rechter heeft besloten dat als koper en verkoper van elkaar onafhankelijke partijen zijn, de prijs op een zakelijke manier tot stand is gekomen. Voor de belanghebbende was de bewijslast gunstig. Hij had het pand weliswaar van zijn eigen B.V. gekocht, maar de B.V. had onmiddellijk daaraan voorafgaand het pand van een derde gekocht. In zo’n kort tijdsverschil kan de aan de derde betaalde prijs doorgaan als de waarde in het economische verkeer. Van een winstuitdeling kan dan geen sprake zijn!

terug

 
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten
Tomson groep.
Standaardsite gemaakt met website software van Ziber | Design Codesign